ClubsColumn

WK Column: de schoonheid van de schlemiel

Het WK voetbal is al ruim een week onderweg. Het ultieme podium van de menselijke overmoed en arrogantie. Maandenlang worden die spelers opgepompt tot een soort halfgoden. Hun marktwaarde stijgt sneller dan de zeespiegel, ze verdienen in een week wat een normale glaszetter in zijn hele leven nog niet bij elkaar knutselt, en ze lopen erbij alsof ze hoogstpersoonlijk het vuur van de oud Griekse god Prometheus hebben gestolen.

En waarom? Omdat ze heel hard tegen een stuk opgeblazen varkensleer kunnen trappen. Iedereen kijkt naar de helden. Smult van de ronkende verhalen van succes. Maar mag ik heel even heel eerlijk zijn? Succes is dodelijk vermoeiend. Succes is saai. Als Real Madrid wéér de Champions League wint, draai ik me nog een keer om. Nee, ik kijk naar de totale, allesverwoestende destructie van het menselijk ego. Ik kijk naar de schlemiel.

De schlemiel is namelijk de enige die het voetbal écht menselijk maakt. Neem nou Roberto Baggio in 1994. Die man had dat hele toernooi goddelijk haar, hij sleepte Italië in zijn eentje naar de finale. Hij wás het toernooi. En dan komt die penalty. De beslissende. Baggio neemt een aanloop… en rost die bal zo hoog over dat ze hem nu nog aan het zoeken zijn in de stratosfeer. In één klap veranderde die man van een reus in een hoopje ellende. Prachtig. Goden horen niet te winnen, goden horen spectaculair te vallen.

Of Oliver Kahn in 2002. De ‘Titan’. Een man met de uitstraling van een agressieve gorilla die net zijn territorium heeft verloren. Hij had het hele toernooi nog geen vlieg doorgelaten. Hij keek zo boos naar de spitsen dat ze uit pure angst de bal maar over de zijlijn schoten. En dan, in de finale, krijgt hij een simpel schotje van Rivaldo. Een bal die mijn demente oma met een theedoek nog had gevangen. Kahn laat hem glippen. Ronaldo tikt hem erin. En daar zit-ie dan, de Titan, huilend tegen de doelpaal. Dat is geen sport, dat is kunst. Dat is Shakespeare, maar dan met korte broeken en noppen. En nu zitten we weer klaar. En ik weet precies waar ik op hoop. Ik hoop op Lionel Messi.

Begrijp me niet verkeerd, de man kan aardig ballen. Maar die blik, hè? Dat hautaine, onaantastbare lachje. Alsof hij de natuurwetten heeft uitgevonden en de rest van de mensheid slechts figurant is in zijn wekelijkse commercial. Hij loopt over dat veld alsof hij de paus is die een audiëntie geeft aan een stelletje amateurs. Het is te perfect. 

Mijn ultieme WK-droom? De finale. Stand is 0-0, 93ste minuut. Messi krijgt de bal op vijf meter van het vijandelijke doel. De keeper ligt al in de andere hoek, de goal is compleet leeg. Het enige wat hij hoeft te doen is zijn voet er tegenaan zetten. Hij kijkt alvast naar de camera, zet zijn meest arrogante blik op… en dan maait hij compleet over de bal heen. Hij struikelt over zijn eigen peperdure veters, lanceert zichzelf de boarding in, en in de counter scoort Nederland.

Dát is wat we willen zien. Dat zo’n man ineens beseft dat-ie ook maar een gewoon mens is en dat die hele marketingballon in één seconde leegloopt.

Waarom genieten we daar zo van? Omdat we ons niet kunnen identificeren met de winnaar. Niemand van ons wordt morgen wakker met het talent van Messi of het salaris van Ronaldo. Maar we weten wél allemaal hoe het voelt om de beslissende fout te maken. We hebben allemaal weleens een metaforische penalty hoog over het dak van de buren geschoten.

De schlemiel herinnert ons eraan dat falen de standaard is, en succes de uitzondering. Dus heren miljonairs, zet hem op! Maak ons trots. En alsjeblieft… laat die bal onder je voet doorrollen.