ClubsColumn

Column: scheidsrechters zijn altijd de Sjaak

Welkom in de wondere wereld van de reserve derde, vierde of vijfde klasse. Een plek waar de buikjes net iets ronder zijn dan de ballen en waar de warming-up voornamelijk bestaat uit het bespreken van de derde helft van vorige week. Hier regeert een ijzeren wet: de voetballer is een onbegrepen kunstenaar, en de scheidsrechter is een blinde mol met een fluitcomplex.

Het is eigenlijk fascinerend. Ze spelen op een niveau waar een breedtepass over vijf meter vaker bij de tegenstander belandt dan bij een teamgenoot, maar van de man/vrouw in het zwart verwachten ze de precisie van een Zwitsers uurwerk. Als de sterspeler van het elftal, die doorgaans de beweeglijkheid heeft van een lantaarnpaal, een penalty drie meter over het vangnet jaagt, klinkt het bemoedigend: “Geeft niks, Jeffrey! Volgende keer beter.” Maar als diezelfde scheidsrechter vanaf de middellijn een buitenspelsituatie verkeerd inschat, omdat zijn knieën uit 1969 stammen, is de wereld te klein. Dan is hij/zij plotseling de hoofdschuldige van een nationaal drama. In die gevallen heeft hij/zij de hulp van de grensrechter nodig, maar die heeft zojuist zijn cursus ‘creatief vlaggen’ met succes beëindigd want in de lagere klassen is de grensrechter meestal de geblesseerde reservekeeper of de oom van de rechtsback die eigenlijk liever in de kantine had gezeten. Het neutraliteitsgehalte van deze heren is dan ook vergelijkbaar met dat van een Noord-Koreaanse nieuwslezer. Met een stalen gezicht vlaggen ze voor buitenspel terwijl de aanvaller nog op zijn eigen helft vertoeft. De scheidsrechter, die inmiddels naar adem hapt als een vis op het droge, heeft twee keuzes. Hij/zij kan het geloven en een woeste menigte over zich heen krijgen of het negeren met het risico dat hij/zij de grensrechter een levenslange trauma bezorgd.

Maar spelers toch, laten we eerlijk zijn. Jullie krijgen de scheidsrechter die jullie verdienen. Als je speelt in een competitie waar de cornervlaggen af en toe als asbak worden gebruikt, kun je geen Pierluigi Collina verwachten die in de 89e minuut nog een sprintje trekt van zestig meter.

De man/vrouw met de fluit is vaak de enige die geen belang heeft bij de wedstrijd, maar wel de volle laag krijgt. Hij/zij acteert op hetzelfde niveau als de rest. Soms een geniale ingeving, maar even zo vaak struikelend over de eigen veters zoals de spelers. Dus bedenk: zolang zij als voetballers vaker de zijlijn raken dan de kruising, is het misschien verstandig om die arme man/vrouw met dat fluitje iets vaker een schouderklopje te geven. Of in ieder geval, een AA-drink na de wedstrijd aan te bieden.