ClubsColumn

Column: liefde voor het shirt of de centen?

Ooit, in een ver verleden, was voetbal bij amateurclubs een kwestie van bloed, zweet en tranen. En dan vooral dat bloed en zweet dat je liet voor je eigen cluppie, met het logo op het voetbalshirt trots op de borst. De clubkleuren waren geen designkeuze, het was je tweede huid. Je tweede huis. Het eerste elftal was het kroonjuweel, opgebouwd uit de parels van de eigen jeugdopleiding. Jongens die al van jongs af aan de geur van vers gemaaid gras en oude sokken in het clubhuis opsnoven, en die het paars-blauwe, rood-witte of welke-kleur-dan-ook hart op de juiste plaats hadden. Die zich uit de naad werkten, niet voor een paar tientjes onder de tafel, maar voor de eer van de club en het applaus van de tribune. Applaus van hun vrienden, familieleden en dorpsgenoten.

Maar die tijd? Die is allang passé. Een romantisch sprookje dat genadeloos is ingehaald door de keiharde realiteit. Tegenwoordig lijkt het amateurvoetbal meer op het Wilden Westen, waar het gaat om wie de snelste vinger aan de trekker heeft. De trekker, in dit geval, van een portemonnee of andere beloftes. 

Elk jaar aan het einde van het voetbalseizoen gonzen de geruchten al en zie je het fenomeen weer. Nu al… en het is net winter geworden. Het is een ware volksverhuizing. Spelers van hier en daar, die ineens de liefde van hun leven hebben gevonden bij een nieuwe vereniging. En wat een toeval, die liefde is vaak gekoppeld aan de belofte van een nieuwe scooter, een jaartje gratis shoppen bij de plaatselijke supermarkt, of een envelopje dat verdacht veel wegheeft van een maandsalaris. De jeugd die de club al sinds hun vijfde trouw is, ziet met lede ogen aan hoe ze van de troon worden gestoten en hun plekje in het eerste elftal door wildvreemden wordt ingevuld. ‘Je moet realistisch zijn,’ hoor je vanuit het Bestuur dan, ‘we willen hoger op!’  Inderdaad, omhoog, maar op de schouders van anderen, niet door het zware werk zelf te doen. Kampioenschappen koop je niet over de rug van leden met clubliefde. 

Het cynisme druipt ervan af, en terecht. Want hoe kun je nog spreken van clubliefde als het een ruilmiddel is geworden? Een club is geen bedrijf met een jaarlijkse begroting die op nul moet uitkomen, of een verzameling van huurlingen die het hoogst haalbare nastreven en dan weer verder trekken naar de volgende schatkist. Een club is een gemeenschap, een sociale plek waar het draait om verbinding, plezier en passie. Ja…. en met voetbal als onderdeel daarvan.

Maar ja, clubliefde betaalt de contributie niet. Daarom halen we ze van buitenaf. Mensen die de weg naar de kantine met Google Maps moeten opzoeken, die geen idee hebben wie de kantinejuffrouw is, of hoe het clublied gaat. Maar ach, ze kunnen een balletje trappen en dat is blijkbaar genoeg. En mochten ze het jaar erop een betere aanbieding krijgen, dan zijn ze weer gevlogen. Zo werkt dat nu eenmaal in de moderne wereld. De loyaliteit is net zo diep als de inhoud van de portemonnee. En de jeugd? Die mag het bankje warmhouden, of is ondertussen afgehaakt. Welkom in de realiteit van het amateurvoetbal. Zó zonde….