ClubsColumn

Column: we mogen weer…JIPPIE!

Het nieuwe voetbalseizoen is begonnen. Magnifiek. De bal rolt weer, de meidoorns bloeien, de kantine jankt om frituurvet en de voetballers rennen met te kleine beenbeschermers achter de bal aan om de sleur van hun bestaan te ontvluchten. Prachtig. Een feest van saamhorigheid.

Totdat de wedstrijd is afgelopen en men zich verplaatst naar de kleedkamer. En zodra de schoenen uitgaan, treedt er blijkbaar een acuut en mysterieus herseninfarct op bij de voltallige elftallen. Kijk, ik snap best dat je vermoeid bent na negentig minuten bankzitten of hannesen in de derde klasse tegen een veel te sterke tegenstander. Maar wat er ná het douchen gebeurt, is géén sport. Dat is een antropologische tragedie. De kleedkamers zien er steevast uit alsof een kudde wilde zwijnen er een festival heeft georganiseerd en het toilet als pispaal heeft gebruikt. Overal propjes tape., lege bekertjes, blikjes, modderkluiten ter grootte van een baksteen en een verdwaalde onderbroek waarvan de eigenaar waarschijnlijk denkt: ‘Ach, ik koop volgende week wel weer een nieuwe.’

En daar staat hij dan. In de hoek van de ruimte. Een eenzame, holle, grijze plastic cilinder. De vuilnisbak. Kennelijk voor de spelers een astronomisch complex apparaat die ze niet begrijpen. Want om een leeg bekertje goed in die opening te mikken, daar heb je blijkbaar een universitaire studie aerodynamica voor nodig. Het is makkelijker om een penalty via de binnenkant van de paal erin te jassen dan een bananenschil in een bak van tachtig liter te deponeren. Nee, flikker het maar op de bank. Of op de vloer. De kaboutertjes van de vereniging ruimen het wel op.

En het allermooiste: het hulpmiddel dat ‘de trekker’ heet. Een houten paal met een rubberen strook eronder. Een vrij simpel principe. Je duwt het water richting de schrobput. Maar nee. De heren voetballers kijken naar die trekker alsof het een buitenaards artefact uit een sciencefictionfilm is. “Wat is dit voor magisch instrument? Een zweefboot? Een ceremonieuze staf?”

En de trainer? De leider? De aanvoerder? De man met de band om de arm of de grote leider van de troep? Die staat erbij, kijkt ernaar, trekt z’n jas aan en vertrekt. Geen woord, niks gezien. Waar is de captain die op het middenveld met schuim op de bek iedereen naar voren schreeuwt, maar in de kleedkamer plotseling lijdt aan klinische blindheid? Waarom kijkt de laatste man, de leider of de trainer nooit eens één keer achterom, zoals hij op het veld ook doet om te denken: ‘Goh, hebben we dit nou eigenlijk netjes achtergelaten, of lag dit er allemaal al?’

Het zijn de vrijwilligers. De helden van zeventig en tachtig jaar die op maandagochtend met hun stramme rug de zooi staan uit te mesten. Omdat Joepie en z’n maten van het vierde te druk waren met hun foute kleedkamermuziek en het drinken van lauw bier. De leider al koffie dronk in de kantine en de trainer het hoogste woord heeft langs het veld.

Grote leiders en grote spelers zijn er kennelijk binnen verenigingen niet meer. Want geloof mij: echte grote spelers herken je niet aan hun schijnbewegingen en doelpunten. Echte grote spelers zie je aan de manier waarop ze op het veld staan, in het leven en in de kleedkamer en soms ook de vloerwisser hanteren. En echte elftalleiders houden de groep niet alleen bij elkaar maar zorgen ook dat andere groepen in een schone kleedkamer komen zoals ze dat ook zelf wensen.